Karamel en zeezout

Een tijdje geleden kwam dhr. van Dissel onder mijn vakgenoten nogal in opspraak met zijn uitspraak over het verschil in niveau van verpleegkundigen en verzorgenden en de invloed daarvan op het aantal besmettingen in de verpleeg- en verzorgingshuizen. Hij voelde zichzelf er ook niet prettig bij en ging op werkbezoek in een verpleeghuis in Amsterdam. Fijn dat hij dat initiatief heeft genomen en dat hij begrijpt, wat wij als verzorgend altijd al hebben begrepen natuurlijk 😉 dat er een groot verschil is tussen de omstandigheden in ziekenhuizen en verpleeg-verzorgingshuizen.

Zelf ben ik zo vrij om dan weer een verschil met de thuiszorg en de bovengenoemde groepen te benoemen. Iedere groep heeft zijn eigen kennis en expertise nodig en de corona maakt het er allemaal niet eenvoudiger op.

https://www.venvn.nl/nieuws/jaap-van-dissel-op-werkbezoek-in-verpleeghuis/

Afgelopen week kwam ik tijdens mijn avonddiensten regelmatig bij een mw. met een lelijke en pijnlijke oncologische wond. Mw. vond het in het begin maar niets dat ze zorg nodig had en weigerde dan ook de twee keer daagse wondzorg die ze eigenlijk nodig had. Eén keer daags vond ze meer dan genoeg en dat de wond ‘s morgens veel te nat en week was door het wondvocht vond mw. zelf niet zo’n probleem. Uiteindelijk na veel praten en toenemende pijn ging mw. overstag. Door de ochtendzorg was er langzaam maar zeker ook vertrouwen en contact opgebouwd. Dat maken we vaker mee met cliënten. Het vertrouwen is echt iets wat moet groeien, wat tijd nodig heeft en erg mooi is om te zien. Dat is ook zo in de verpleeg- en verzorgingshuizen.

Ook zelf vindt ik een nieuwe cliënt altijd wel spannend vooral als er wondzorg bij komt al is het ook altijd interessant om te doen. Het is ook altijd fijn om te lezen in de feedback van een wondverpleegkundige dat ze kan zien dat de wondbehandeling die zij voorschrijft goed uitgevoerd wordt. Dat soort complimenten doen me altijd veel meer dan de cadeautjes waar we in dit coronajaar mee overspoelt werden. Hoe lief het ook bedoelt is door mijn werkgever of ondernemers die het beschikbaar stellen, het voelt ook altijd erg ongemakkelijk.

Voor mijn dienst nam ik de, door de wondverpleegkundige voorgeschreven behandeling, nog eens goed door en bij mw. hield ik mijn iPad onder handbereik. Nadat ik het oude materiaal van de wond had verwijderd en de wond had schoongemaakt desinfecteerde ik mijn handen met handgel en trok schone handschoenen aan voor de volgende fase. Ondertussen was de dochter van mw. binnengekomen die gelijk de bestelde wondbehandelingsmaterialen meebracht. ‘Ik mis de kapper’, vertelde mw. ondertussen. ‘Mijn haar wordt zo lang er zit geen model meer in, jouw haar is nog redelijk kort en het glanst zo mooi.’ Ik glimlachte in mezelf want ik mopper heel vaak op mijn haar wat zo fijn van draad is en zo steil dat zelfs elastiekjes niet blijven zitten. ‘Vlak voor de lock-down ben ik nog naar de kapper geweest,‘ vertelde ik. Ook al moest ik af en toe dingen herhalen omdat mw. me niet kon verstaan het lukte ons toch om een gesprekje te voeren. Ondertussen bracht ik een zalf aan op de wond zelf en een beschermend laagje op de wondranden. Daarna knipte ik het materiaal op maat. Dit mocht echt niet op buiten de wond op de gezonde huid komen en is een secuur werkje. ‘Wat een gepuzzel hè,’ mw. bracht onder woorden wat ik op dat moment dacht. ‘Je doet het goed hoor, je mag nog eens terugkomen. Dat is mooi, ‘ lachte ik. Dat ik lachte kon ze niet zien door het mondkapje maar toch lachte ze terug. Ogen zeggen gelukkig ook veel in de communicatie. Ook de dochter bedankte me hartelijk voor de goede zorgen.

Een paar dagen later was mw. haar voorvoet rood en dik. Een collega maakte een foto van de wond en de voet en stuurde deze na overleg door naar de dochter van mw. Deze stuurde de foto door naar het LUMC waar mw. onder behandeling is. Met spoed kreeg mw. een afspraak en de wondbehandeling werd uiteindelijk aangepast naar 1 keer daags met andere materialen en mw. kreeg een antibioticakuur. Verder vroeg ik me tijdens het lezen van deze rapportage peinzend af of de wond niet weer erg week zou worden en of de infectie was ontstaan door iets in onze verzorging, of omdat mw. zelf ook nog wel eens tussendoor aan de wond rommelde, of omdat een dergelijke wond infectiegevoelig is? Ik neem me voor om als ik weer een collega zie eens te vragen hoe zij daar over denkt. In de thuiszorg werk je vaak zelfstandig maar het is af en toe fijn om met een collega van gedachte te wisselen.

Toen ik mijn afgelopen dienst binnenkwam om de antibioticakuur aan te reiken was de schoonzoon van mw. aanwezig en hij vertelde dat mw. was gevallen en dat ze de halsbel niet om had. ‘Ze is ook zo eigenwijs,’ vertelde hij hoofdschuddend. Mw. had gelukkig geen letsel. ‘Het is wel heel belangrijk dat u uw halsbel draagt,’ vertelde ik haar. Mw. knikte, ‘ik weet het maar ik ben zo bang dat ik er per ongeluk op druk. Tja,’ reageerde ik, ‘dat gebeurt wel eens maar het is belangrijker dat u kunt waarschuwen als u gevallen bent.’ Mw. was genoeg onder de indruk om de halsbel weer om te doen. En net toen ik vertelde had dat ik die avond weer zou komen voor de kuur belde mw. haar dochter. Ze uitte haar zorgen over haar moeder en vroeg zich af welke stappen ze zou moeten nemen om de zorg uit te breiden. ‘U kunt dan het beste met onze wijkverpleegkundige bellen, zij weet alles over indicaties,’ adviseerde ik. ‘Maar ik denk dat de indicatie niet het probleem is maar wel of uw moeder meer hulp wil accepteren. Maar ze leert ons nu een beetje kennen dus de drempel is misschien minder hoog.’

Door alles was ik wat uitgelopen met de tijd en ik besloot de vragen die ik nog aan mw. had over de valpartij te bewaren tot ik haar die avond weer zou spreken om ook de registratie ervan, de mic (melding incident cliënten) in te kunnen vullen. Eén op één kon mw. rustig vertellen wat er was gebeurt. ‘Jullie zijn zo lief, neem je deze mee?’ zij ze na afloop, ze duwde me een rol chocolaatjes in mijn handen met karamel en zeezout smaak. ‘Dat hoeft echt niet hoor,’ reageerde ik. ‘Toe nou,‘ zei ze, ‘ik wil zo graag wat terug doen. Mag ik ze dan in ons kantoor leggen?’ vroeg ik. ‘Dan kunnen mijn collega’s er ook van snoepen. Je vindt het niet fijn om iets voor jezelf aan te nemen hè?’ In haar ogen glommen pretlichtjes. ‘Dat klopt,’ bekende ik. ‘Ik doe gewoon mijn werk.’ Ze pakte mijn handen beet. ‘Wanneer ben je er weer?’

Later legde ik de chocolaatjes bij de rest van de verzameling op ons kantoor. Deze mw. is niet de enige die ons wil verwennen met wat lekkers bij de koffie.